Direct naar hoofdmenu / zoekveld
Home / Wonen & Leven / Natuur, Milieu, Water & Energie / Overwinterende vliegen in gebouwen

Overwinterende vliegen in gebouwen

Overwinterende vliegen in gebouwen.


Vanaf de nazomer en de herfst maken veel diersoorten zich gereed om te overwinteren. Waar veel insectensoorten dit in het ei-, larven-, of popstadium doen, zijn er ook soorten die als volwassen insect (adult) overwinteren. Dit fenomeen zorgt in principe niet voor overlast, vaak ook niet als ze dat in kleine getale in gebouwen doen. Het wordt pas echt als overlast ervaren als ze massaal een woning of kantoorpand intrekken. De meest bekende vliegensoorten die in huizen of andere gebouwen overwinteren zijn de herfstvlieg (Musca autumnalis), klustervlieg (Pollenia rudis) en grasvlieg (Thaumatomyia notata).


De herfstvlieg (Musca autumnalis) lijkt veel op de kamervlieg; is 6-7 mm groot, en heeft een geel achterlijf met een zwarte rugstreep. De larven van deze vliegensoort leven voornamelijk van koeien- en paardenmest. De vlieg zelf leeft van honing, stuifmeel en honingdauw, een afscheidingsproduct van bladluizen. De vlieg wordt aangetrokken door menselijke en dierlijke transpiratiegeuren, met als resultaat het rondzwermen om de kop van paarden en rundvee en heeft daardoor de Engelse benaming ‘face fly’ gekregen. In de nazomer en herfst verenigen deze vliegen zich en gaan op zoek naar een overwinteringsplaats. Dit zijn bijvoorbeeld boomholtes of spouwmuren. In grote getale kunnen zij woonflats en kantoorpanden binnendringen, waar zij het liefst ruimten hoog in de gebouwen betrekken om te overwinteren. Wanneer het in het voorjaar warmer wordt, ontwaken zij uit de rusttoestand en verspreiden zich door het gebouw, op zoek naar een weg naar buiten.


De klustervlieg (Pollenia rudis) is iets forser van formaat dan de kamervlieg, is bruingrijs van kleur en het borststuk is bedekt met goudkleurige haartjes. De larven van deze vliegensoort parasiteren op regenwormen. Ook deze soort vormt in de herfst zwermen en gaat op zoek naar overwinteringsplaatsen, welke overeenkomen met de herfstvlieg. In het voorjaar worden ze actief, waarbij ze zich tijdens de eerste warme dagen ophouden aan de buitenzijde van de gebouwen waarin ze overwinterd hebben. Na enkele weken verlaten zij de overwinteringsplaats.


De grasvlieg (Thaumatomyia notata)is een stuk kleiner dan de eerder beschreven vliegensoorten, de lengte bedraagt ca. 3 mm. De vlieg is geelglanzend of groen van kleur en heeft drie duidelijk zichtbare zwarte strepen op het borststuk. De grasvlieg is weinig behaard. De larven ontwikkelen zich voornamelijk in ongemaaid, doorgaans verwaarloosd grasland. De volwassen vliegen zoeken in het najaar met een gezwollen achterlijf naar een overwinteringsplaats, in veel gevallen betreffen het gebouwen, om enkele maanden te verblijven. Wanneer ze in het voorjaar vertrekken, is het achterlijf flink afgeslankt.


Voor de beschreven soorten geldt, dat om te voorkomen dat de vliegen een plaag vormen in gebouwen er op zijn laatst in de zomermaanden voor gezorgd moet worden dat het binnendringen onmogelijk wordt gemaakt. Fijnmazig horrengaas is daarvoor geschikt, zolang kleine openingen, zoals ventilatieopeningen niet over het hoofd worden gezien. Het afsluiten van gaten en kieren in de buitenmuur, onder meer bij sponningen, met kit of tochtstrippen en het verwijderen van klimplanten tegen de gevel helpen ook. Afdichten volstaat echter niet altijd, de vliegen kunnen ook via naden tussen dakpannen binnenkomen.


Wanneer de vliegen in het voorjaar actief worden kan men het beste een paar ramen tegen elkaar openzetten of de vliegen opzuigen met een stofzuiger. Wanneer de rustplaats van de vliegen is opgespoord, kan ervoor gekozen worden de zwermen voorzichtig met een stofzuiger op te zuigen. Het is van belang dat de vliegen niet te veel verstoord worden, omdat ze zich dan door het gebouw zullen verspreiden. Zorg daarom ook dat de ruimte afgesloten is. Mocht dit echter niet mogelijk zijn of onvoldoende resultaat bieden, dan kan het gebruik van insecticiden onvermijdelijk zijn. De bestrijding dient te worden uitgevoerd door een gediplomeerd bestrijdingstechnicus. Voor de bestrijding is het van belang na te gaan of het mogelijk is de dode dieren te verwijderen, gebeurt dit niet, dan zal de dode massa gaan stinken en andere insecten, zoals tapijtkevers, aantrekken. Wanneer de vliegen, ondanks de getroffen maatregelen, jaarlijks terugkeren op een moeilijk toegankelijke plaats en voor overlast zorgen, dient een residueel werkend middel te worden toegepast in alle naden en kieren op en nabij de entreeplaatsen van de vliegen. Dit is alleen effectief wanneer dit gebeurt voordat de vliegen het gebouw binnentrekken, in de nazomer of het najaar.



Afbeelding 1

De grasvlieg (Thaumatomyia notata)


Afbeelding 2

De klustervlieg (Pollenia rudis)


Afbeelding 3

De herfstvlieg (Musca autumnalis)


Bron: www.kad.nl

Het KAD is het landelijke kenniscentrum op het gebied van dierplaagbeheersing en milieubescherming. Het stelt kennis over beleid, biologie, dierwelzijn, preventie en bestrijding van ongewenste organismen ter beschikking aan overheden en branches.
Het KAD ondersteunt opdrachtgevers en beoordeelt de noodzaak en kwaliteit van bestrijdingsplannen.
Het KAD geeft voorlichting aan burgers en leidt praktijkmensen op.

Dit bericht is uitsluitend bedoeld ter informatie. Hoewel de in dit document gestelde feiten en verstrekte meningen als juist worden verondersteld, aanvaardt het Kenniscentrum Dierplagen geen enkele aansprakelijkheid voor enige schade in welke mate dan ook.



Uitgelicht


Zoeken